
Najaar 2026
In samenwerking met De Grote Post, Stad Oostende, Antenne, Leentje Kerremans, Sofie Deckers, Patricia Kargbo en Sebastien Dewaele.
Hee de stad houdt zich dom
Ze tikt als een bom
En als je omkijkt
Zie je net nog iets
Wat niemand had gezien
Erik de Jong – Spinvis
Tot een jaar geleden had ik nog nooit over “bijvangst” gehoord.
Al die gevangen vis, nooit bedoeld om op ons bord te belanden.
Ik wist ook niet dat er “visseizoenen” zijn.
Dat je geen wijting eet in de zomer
zoals je geen asperges eet in de winter.
Het afgelopen jaar kwam ik langzaam meer te weten over de visserij.
Eén van de eerste plekken waar ik terechtkwam
was aan de vismijn op Oosteroever.
Het zogenoemde “sprotkot”
waar gevangen vis geveild wordt.
Ik mocht er filmen en foto’s maken.
Minutenlang staarde ik naar de screensaver
op de computers van de veiling.
Een aalscholvervisser uit Azië
op een kleine handgemaakte bamboeboot.
Dat is waar iedereen naar kijkt in het sprotkot
voor er op kilo’s Noordzeevis geboden wordt.
Het contrast tussen onze grootschalige visserij
en die traditionele traag-jagende aalscholvervisser.
Het contrast tussen werkelijkheid en idylle
tussen wereld en beeld.
Haast nergens in Azië wordt nog met aalscholvers gevist
tenzij als opvoering voor toeristen.
Ik ontdekte dat er maar 2 straten zijn in Oostende
die de naam dragen van een Noordzeevis.
Het Sprotplein en de Haringstraat.
Allebei gelegen aan de vismijn.
Vreemd dat er in deze stad
meer plekken verwijzen naar machthebbers van vroeger
dan naar het ons nu omringende ecosysteem.
Waarom is er geen Wijtingstraat?
Steenbolkplein, Scholdijk, Poonkaai of Scharsteeg?
Moeten die lokale vissoorten eerst uitgestorven zijn
voor ze een plek verdienen in ons straatbeeld?
Wat zegt dat over onze relatie met al het leven onder water?
Als ik denk aan mijn eigen relatie met vissen
dan denk ik vooral aan
eten.
Ik denk aan de Vistrap waar mijn grootmoeder wekelijks
verse vis kocht. Of verse garnalen.
En hoe ze met die zak garnalen naar huis wandelde
zich aan de keukentafel zette en
met alle geduld en tijd van de wereld begon te pellen.
Ik denk aan hoe ik nu zelf in de supermarkt sta
te twijfelen tussen een pakje ‘verse’ gepelde garnalen en
‘gewone’ gepelde garnalen.
En waarom dat maar 50 cent verschil is.
Ik besef dat ik nog nooit naar een garnaal gekeken heb
als iets anders dan een consumptieproduct.
Als ik tomate crevette eet
denk ik nooit na over een wijting of een schol die ook zot is van garnaal.
Ik wist niet dat een garnaal grijs is omdat ze zich overdag verschuilt
onder het zand van de zeebodem.
Uit angst om opgegeten te worden, eet een garnaal enkel ’s nachts.
Ik neem de tijd om een garnaal te tekenen.
En stel me voor dat een garnaal misschien niet zoveel verschilt
van een schuwe, zwartgeklede Oostendenaar die
enkel buitenkomt na zonsondergang en
boodschappen doet in de nachtwinkel.
Ondertussen heb ik verschillende vissen, schaal- en weekdieren uit de Noordzee getekend.
Mijn eigen bijvangst encyclopedie of Noordzee cast.
Ik zie er alsmaar meer herkenbare figuren in, personages uit de stad
die in ons straatbeeld verschijnen
die ons kunnen ontroeren, doen lachen of verbazen.